Het is grijs en grauw weer buiten en het waait nauwelijks. Zoals elke avond vlak voor zonsondergang komen de eerste donkere wolken langs en we krijgen de een na de andere bui over ons heen, met af en toe flink wat wind: de gevreesde squalls. Wij zijn er blij mee, het dek regent mooi schoon en we maken even goede snelheid als er wat meer wind uit een bui komt. Sinds de autopilot op windhoeken kan sturen wordt een squall meestal aangekondigd met een luid gepiep van de autopilot, die een windshift detecteert. Afhankelijk over welke boeg we liggen ruimt of krimpt de vlagerige wind bij de passage van een squall meestal een graad of 20.
De hele nacht liggen we ontzettend te rollen op de steeds maar hoger wordende golven. Om 03.15u hoor ik Ascha zachtjes "Joehoe!" roepen: we zijn op de helft! Blijkbaar heeft de autopilot zijn Halfway Party al gevierd want, hoewel we weinig snelheid hebben, we gieren af en toe als een dronkeman van de golven af.
In de ochtend gaan we, in het kader van mastbehoud, voorzichtig overstag. De wind is intussen oostelijker geworden en is in kracht toegenomen tot een 5-6bft. We hebben iets meer snelheid in de boot en de mast lijkt het goed te houden, hoewel we hem af en toe kunnen zien “dansen” ter hoogte van de tweede zaling. Even lijkt het erop dat dit een gunstiger koers is ten opzichte van de golven maar al snel rollen ook hier de bruisers weer om ons heen. En wij rollen mee.
Bij een routinecheck van de boot ontdek ik later in de middag dat de stuurarm van de autopilot weer is losgekomen van zijn fundering. Door de onregelmatige zeegang worden de corrigerende krachten van de stuurarm zo groot dat het ingelamineerde schot is losgescheurd van de romp. Waarschijnlijk houdt de fundering het wel, dankzij de dwarsverbanden die ik in La Coruna met Allard heb aangebracht, maar dan moeten we geen al te ruwe zee meer krijgen (fingers crossed).
Halfverwege de oversteek hebben we dit etmaal, met dank aan een paar squalls, 131 mijl afgelegd en nog een 958 mijl te gaan.